TUSSENKOPJES: HOU ER JE HOOFD BIJ

  • Maak een tussenkop nooit langer dan één zin.
  • Omschrijf wat de lezer eronder kan lezen.
  • Zet nooit een tussenkop (de naam zegt het al) direct na een hoofdstuktitel.
  • Plaats de meest belangrijke woorden vooraan.
  • Zorg dat alle tussenkoppen op rij een summiere samenvatting van je tekst vormen.
  • Maak de tekst zo, dat ook zonder het lezen van de tussenkoppen, de lezer geen informatie mist.
  • Zet belangrijke informatie nooit alleen in de tussenkop, maar altijd in de tekst zelf.
  • Verwijs in je tekst nooit naar de tussenkop, omdat deze geen deel uitmaakt van de alinea.
  • Gebruik alleen een beginkapitaal; typ dus niet de hele kop in hoofdletters.
  • Zet geen punt of dubbele punt achter een tussenkop; een vraagteken of uitroepteken kan wel.
  • Laat een of meerdere woorden uit je tekst terugkomen in je tussenkop.
  • Gebruik boven de tussenkop meer witruimte dan eronder: zo zie je duidelijk dat de tussenkop bij de alinea eronder hoort.
  • Gebruik, indien van toepassing, de huisstijl van het bedrijf of de organisatie bij de vormgeving van je tussenkop.